Algen horen bij de hobby. Iedereen krijgt ze, en ze zijn zelden een teken dat je iets ramps doet — meestal vertellen ze je gewoon dat licht, CO₂ en voeding niet in balans zijn. De kunst is om eerst te herkennen welke alg je hebt, want de oorzaak en de oplossing verschillen sterk per soort.
Op deze pagina vind je alle algenartikelen. Begin met herkennen, lees dan het bijbehorende stappenplan.
De gouden regels tegen (bijna) alle algen
- Stabiliteit boven alles. Een vaste lichtduur (timer), regelmatige waterwissels en consequente bemesting voorkomen meer algen dan welk middel dan ook.
- Licht in verhouding tot je planten. Veel licht zonder genoeg planten en CO₂ = algen. Begin kort (6–7 uur) en bouw op.
- Goede stroming, geen dode hoeken. Beweging verspreidt voeding en CO₂ en houdt cyano en mulm weg.
- Gezonde, groeiende planten. Planten zijn je beste algenbestrijders: ze concurreren om dezelfde voeding. Snelgroeiers helpen in de opstartfase.
- Meet je water. Veel algenproblemen hangen samen met je nitraat- en fosfaatbalans.
Welke alg heb je?
- Draadalg — lange groene draden die je om je vinger kunt wikkelen. Vaak te veel licht of instabiele CO₂.
- Baardalg (BBA) — donkere, grijszwarte penseeltjes op bladranden, hardscape en techniek. Schommelende of te lage CO₂ en te veel organische rommel.
- Bruine kiezelalg (diatomeeën) — bruin, stoffig laagje in een nieuwe bak. Hoort bij de opstartfase.
- Blauwalg (cyanobacterie) — gladde, muffe, blauwgroene laag. Eigenlijk een bacterie; vraagt een blackout-aanpak.
Hieronder staan de artikelen met per soort het volledige stappenplan, plus welke algeneters in NL/BE écht werken.